Woutertje Pieterse
Konrad Boehmer

Affice De verteller vertelt over Amterdam van toen: halverwege de 19e eeuw. We maken kennis met een aantal belangrijke personages uit het leven van Woutertje: zijn moeder juffrouw Pieterse, juffrouw Laps van ondervoor, Meester Pennewip, de Huisdominee en het dienstmeisje Leentje.
 
Woutertje gaat naar de bibliotheek in de Hartenstraat. Daar verkwanselt hij zijn Nieuw Testament in ruil voor een roman over ridder Glorioso en zijn geliefde, jonkvrouw Amalia.
 
Op een dag na school wil Woutertje op straat kapitaal vergaren voor een onderneming met de Hallemannetjes, de kinderen van de kerkdiaken, 'die zo bijzonder fatsoenlijk zijn'. De Hallemannetjes willen een handel in pepermunt beginnenen beloven Woutertje hoge winst. Woutertje steelt een gulden van zijn moeder, maar de Hallemannetjes zien alsnog van de onderneming af en het startkapitaal, dat bijna geheel door Wouter was geleverd, wordt geleidelijk verdeeld over iedereen. Voor Woutertje betekent dit een negatief saldo.
 
Thuis worden het Nieuw Testament en de gulden vermist. De familie Pieterse en juffrouw Laps straffen Woutertje voor mijn wandaden.
 
Wouter zit zijn sraf uit in een donker hok. Hij werkt hard aan een gedicht dat hij woensdag bij meester Pennewip moet inleveren. Het onderwerp luidt: over de deugd. Wouter besluit om een gedicht over Glorioso te schrijven.
 
Woensdag blijft meester Pennewip op school na om de gedichten van de kinderen te lezen. Eén voor één trekken de kinderen in z'n gedachten aan hem voorbij tot hij Wouters gedicht onder ogen krijgt. Zijn 'Roverslied' schiet in het verkeerde keelgat en woedend gaat Penniwip opweg naar het huis van Woutertje.
 
Bij de Pieterses thuis wordt intussen een 'Salieavond' gehouden: de dames uit de buurt komen op bezoek en bespreken het laatste nieuws als plotselijk meester Pennewip binnenstormt. De dames zijn ernstig geschokt als ze Wouters 'Roverslied' horen. Woutertje wordt opnieuw gestraft.
 
Om Wouter te stichten wordt de Huisdominee erbij gehaald, die tot ieders verbazing Woutertje voor een meisje aanziet en juffrouw Laps met een aantal passages uit de bijbel verwart. Dan komt een meisje uit de buurt, Femke, vertellen dat de dominee stevig gebitterd heeft in de kroeg. Woutertje is opslag verliefd op Femke en hij gaat steeds vaker bij Femke en haar moeder op bezoek.
 
Op een dag komt juffrouw Laps vertellen dat er dieven bij haar zijn geweest en ze is bang. Woutertje ziet dit als een kans om z'n ridderlijkheid te bewijzen en hij biedt aan om bij haar te komen logeren. Juffrouw Laps vind het leuk om wat gezelschap in huis te hebben en stemt toe. Bij juffrouw Laps thuis wordt Wouter getracteerd op taart. Geleidelijk aan wordt juffrouw Laps handtastelijk en in paniek vlucht Woutertje naar buiten. Uit schaamte durft hij niet meer naar huis en hij belandt in een buurtkroeg waar hij Femke meent te zien. Even later verdwijnt het meisje.
 
Op aandringen van Femke is Wouter beter z'n best gaan doen op school waardoor hij nu als beste van de klas geslaagd is. Wouter wil nu graag rover worden en samen met Femke een kolonie stichtten in Afrika, maar zijn moeder besluit hem in de leer te doen bij een tabakshandel. Als Wouter na enkele weken bij zijn werk aankomt blijkt de winkel gesloten. Een nieuwe poging wordt ondernomen en Wouter zal gaan werken bij het handelshuis Ouwetijd en Kopperlith. Hij maakt kennis met de knecht Gerrit Sloos, die in de stinkende kelder werkt en met de mannelijke leden van het deftige gezin: Papa en de zoons Eugene en Pompile.
 
De Kopperlith's verhuizen voor de zomer naar hun 'buiten' en Woutertje mag mee. Hij maakt daar kennis met de dames: Mama en de dochters Julie, Hersilie en haar zoontje Bonifaz. Wouter krijgt de taak om op Bonifaz en z'n hobbelpaard te passen. Op het buiten voegt het echtpaar Calbb, ook in zaken, zich bij het gezelschap. De mannen discussieren druk over handel, maar als Julie vraagt wat handelswissels zijn kan niemand hierop antwoorden. Wouter ziet in Julie weer een juffrouw in nood en geeft haar feilloos het antwoord. Gegeneerd wendt het gezelschap zich af en aan tafel vermaken Eugene en Pompile zich ermee dat Wouter nog nooit buiten de stad is geweest. Hersilie tenslotte geeft Wouter de opdracht om een parasol te openen voor haar Bonifaz, maar als Wouter hierin faalt en de parasol stuk gaat klaagt het gezelschap verder over het verlies van deze FL.7,13.